donderdag 25 november 2010

De man

Ik liep naar de kapper. Opmerkelijk, denken de meeste lezers nu, want gaat Tycho wel naar de kapper? Daarom wil ik om misstanden te voorkomen eerst het volgende stellen. Ja, ik ga weleens naar de kapper en nee, met kapper bedoel ik niet de Rentenaar waar ik een nieuwe marmot aan mijn hoofd lijm. Dat mijn haar soms naar rottend marmottenkarkas ruikt is toeval.

Kortom, ik liep dus naar de kapper. Een schaduw sprong soepel van lamp naar lantaarn. Een kille wind sneed langs mijn wang. Rillingen liepen als koud water over mijn rug. Mijn gevoel zei dat ik terug moest rennen, maar het kriebelende haar in mijn nek dwong mijn schuifelende voeten richting de barbier.
Geparfumeerde lucht duizelde mijn snotterende neus. Maar daar stond ze, stralend met een kam en schaar in haar hand. Een kind speelde langs het raam toen ze mijn haar waste. Stralen water vonden een weg tussen de vele trotse haren die melancholiek meedeinde op de bewegingen van haar hand. Het kind was weg en de temperatuur leek te dalen. Het moment dat ik terugliep naar de kappersstoel schraapte een hand langs de deur. Ik herkende hem niet, maar zij liep comfortabel op hem af. Dit gaat fout, dacht ik, doe alsjeblieft niet open. Het kraken van de deur werd al snel verstomt door het geratel van vallende steentjes. Met woeste zwaaien wierp hij handenvol projectielen door de kapperszaak. Ik kon alleen maar kijken. Het leek bijna alsof hij het terrein probeerde te claimen, zoals dieren doen door in bomen te klauwen of tegen muren te pissen. Rinkelend viel de eerste spiegel naar beneden, het geluid schokte mij wakker. Terwijl ik met mijn linkerhand de cape van mijn nek trok, vond mijn rechterhand het houten handvat van een scheermes. Hij stak zijn hand uit. De witte handschoen, waarmee hij vingerafdrukken trachtte te voorkomen, was besmeurd met bruin stof. Een moment stilte ontstond en ik aarzelde. Van dichtbij leek het net een mens. Het enige wat hem verraadde was zijn koude blik. Terwijl hij mij met levenloze ogen aanstaarde stapte hij opzij. Ik sloeg hem met het mes. Het koude staal hakte door zijn kleurige mouw. Een gil, maar ik was al weg. Mijn voeten knerste onder zijn kleine duivelsbrokjes. Ik rende de deur uit.

Paniekerig keek ik om mij heen. Nat haar plakte aan de zijkant van mijn gezicht. Ze waren overal. Het kind van eerder huppelde langs mij heen. Een statig wezen aan het eind van de straat gebaarde dat wij bij hem moesten komen. Zijn lange stok gebaarde naar een strooier. Elke stap die het kind naar het wezen zette was te veel. Duizenden gedachtes vlogen door mijn hoofd. ‘Je moet het kind redden!’ ‘Wat nou als je gebeten word?’ ‘Waarom is het niet bang?’ ‘Zouden ze vuurbestendig zijn?’
De klauwtjes van het kind strekte zich uit naar de strooier.

Het was nu of nooit....

Geen opmerkingen:

Een reactie posten