donderdag 24 december 2009

Spinoza en de stagiair

‘Geloof jij in god?’ vraagt hij, terwijl hij zijn borstelmachine aanzet. Het zachte gezoem van de machine overstemt net de muziek. ‘Hoe kom je opeens op die vraag?’ De vraag beantwoordend met een wedervraag. ‘Je zei dat je vanavond naar de kerk gaat. De kerstmis’ is zijn prompte reactie. Ik kijk op en zeg:’ Naar de kerk gaan maakt je net zo min een christen als naar een garage gaan je een auto maakt.’ Hij knikt, voor een zestienjarige stagiair is hij bijzonder scherp. ‘Maar om je vraag te beantwoorden moet ik eerst weten wat volgens jouw God is. Een kracht? Of een man met een baard misschien?’ Hij twijfelt. Ik vervolg, ‘maar nee, ik geloof niet in God In De Hemel, die bedoelde je toch?’ Er wordt heftig geknikt en ik grijns, natuurlijk bedoelt hij de huis tuin en keuken God. De God uit de media. De God die aangeroepen wordt in vloek en gebed. De God die zichzelf opblaast aan de ene kant van een muur en de God uit wiens naam vergelding wordt gezworen aan de andere. Ja, die God.

‘Waar geloof je dan in?’ Een scherpe opmerking. Niemand gelooft namelijk in niks, als mens heb je wat houvast nodig. Zou hij doorhebben dat hij zo’n prikkelende vraag heeft gesteld? Ik tik met mijn hiel een afgebraamde buis om. Kletterend stort deze op het beton. Mooi. Dit geeft mij wat kostbare seconden om een antwoord te zoeken. ‘Ik geloof in één natuur’ zeg ik aarzelend, ‘ik zie de wereld naar de opvatting van Spinoza.’ Natuurlijk zegt dat hem niks, ik denk rustig na. Ik kan de waarheid versimpelen, maar dat zou waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen. De vraag was nou eenmaal gesteld. ‘Naar zijn idee zitten wij allemaal vast aan de natuurwetten, of natuurlijk God, het is maar hoe je het noemt.’ Bij God zonk de moed mij in de schoenen. Had ik net niet gezegd dat ik daar niet in geloof. Een filosofie uitleggen aan iemand die lacht om ‘djoeke met me kniffa’ leek toch te hoog gegrepen. Ondanks mijn misstap wordt ik nog strak aangekeken. Ik vervolg: ‘het komt erop neer dat wij geen vrije wil hebben, ondanks dat wij dat denken.’ Het is duidelijk dat mijn woorden hard aankomen. Voor er tegengesputterd kon worden hield ik mijn kop koffie omhoog. ‘Koffie komt van de?’ vraag ik kinderlijk. ‘Koffieboon’ antwoord hij, niet begrijpend waar ik heen wil. ‘Waarom niet van mandarijnen?’ antwoord ik gelijk terwijl ik het oranje bolletje omhoog gooi. ‘Omdat je van mandarijnen geen koffie kan maken, maar wat heeft dat..’ ‘Precies’ onderbreek ik hem, ‘Dat is dezelfde reden waarom ik niet zomaar weg kan vliegen of deze mandarijn in goud kan laten veranderen. Alles zit vast aan zijn natuur.’ ‘Ja, zo heb er nooit over nagedacht’ bekent de verbaasde stagiair. ‘En wat nou als alles wat wij doen ook onze natuur is?’ Hij kijkt mij vragend aan. Toegegeven, nu spring ik te snel op de conclusies. ‘Baby’s kruipen en drinken wat melk, wanneer ze niet huilen, poepen of kotsen op ongelegen momenten. Heeft de baby vrije wil?’ Hij hapt direct toe. ‘Nee’. Het voorbeeld uit De wereld van Sofie lijkt te werken. ‘En een peuter dan, die wilt spelen en zo veel mogelijk troep in die kleine klauwtjes van ze wilt hebben’ Hij schudt van nee. ‘En jij dan?’ vraag ik daarna. ‘Of ik een vrije wil heb?’ is zijn geschokte antwoord, ‘ik ga uit van wel..’. Hij voelt het al aankomen, dat was het antwoord waar ik op wachtte. ‘Is het feit dat je bereid bent te werken zodat Modern Warfare 2 straks kan kopen niet de natuur van zestienjarige jongens? Deed je elke ochtend gel in je haar om er voor de dames beter uit te zien op je twaalfde? Alles wat je nu doet is ook je natuur. Zelfs verzetten tegen dat idee kan je natuur zijn. Jij volgt je natuur maar je bestuurd jezelf. Dit betekend niet dat je echt een complete vrije wil hebt’ Een stilte. ‘Ik denk dat ik het snap. Wow, ik wordt er helemaal loco van, man.’ Ik lach, ‘dat betekend dat je het wel begrepen hebt. Doe ermee wat je wilt’ Ik neem een slok uit mijn koffie.

‘Heb je dat allemaal uit de bijbel?’ Ik proest terwijl de koude koffie weer terug in mijn kopje wordt gespuugt. ‘Blegh, ow… wat nee’ antwoord ik geschokt. ‘Hoe kom je daar ineens op?’ De bijbelvraag slaat het verhaal, waarvan ik dacht dat hij het snapte, aan diggelen. ‘Nee, dat heb ik dan weer niet uit de bijbel’ antwoord ik. ‘Heb je de bijbel dan gelezen?’, vraagt hij op een toon alsof ik net mijn grootste geheim heb verklapt . Ik vertel dat ik een paar stukken gelezen heb. ‘Heb je hem dan niet uitgelezen?’ flapt er bij hem uit. Voor een paar seconden heb ik het gevoel dat ik hem fout heb verstaan en hij in plaats van bijbel eigenlijk de eerste Harry Potter bedoelde. Ik lach. Hij kijkt mij vragend aan. ‘Rond de vijftig’ is mijn antwoord, ‘de bijbel bestaat uit rond de vijftig verschillende boeken en geschriften’ Ik zet mijn koffie neer en hij rolt wat shag. Waar zullen wij nu eens beginnen.

maandag 14 december 2009

3 maanden deel 1

Drie maanden niks
Het is nu half december. Ik zit midden in mijn drie maanden niks. Veel mensen vragen mij wat ik nu doe, nu ik gestopt ben met mijn studie. Mijn normale antwoord is ‘Chillen’ terwijl ik zo quasi-nonchalant mogelijk probeer te grijnzen. Van het goede leven genietend, tenminste zo wil ik dat het lijkt. Daarop krijg altijd drie vaste reacties. Bekenning, onbegrip of een mes in mijn rug. Alledrie goedbedoeld en alle drie fout.

De Bekenning wordt meestal gedaan door de werkende burger. Deze mensen komt men meestal rond een uur of vijf in een supermarkt tegen. Een dialoog met de werkende burger dwaalt al snel af naar school, werk of groetjes doen. Onvermijdelijk komt het uiteindelijk neer op jouw ‘Negen tot vijf’-loze bestaan. Daarna begint de bekenning. Meestal gekarakteriseerd door een hoge ‘Oooow, wat lékkuuhr, ik wou dat ik dat hád,’. De onvermijdelijke zin daarna gaat meestal over wanneer zij zelf vrij zijn of dat hun zoon of dochter ook zoveel vrij heeft. Het gesprek verandert daarna vrijwel altijd in monoloog over hoe zij mensen hebben gezien. Een klassiek voorbeeld is ‘Ik zag je moeder laatst nog’. Het wordt het liefst gezegd terwijl het winkelwagentje langzaam wordt gemanoeuvreerd zodat er een kleine Berlijnse muur ontstaat in gangpad 9. Laat ik duidelijk zijn. Er is geen antwoord op zo’n opmerking. Zelfs wanneer er daarna (zoals het hoort) verteld wordt waar en wanneer ze voor het laatst gesignaleerd was. ‘Ik kwam haar tegen in de Bruna op, even denken ik had net de kinderen naar muziekles gebracht, dinsdag. Ja dinsdag moet het geweest zijn’.
De restanten van het gesprek liggen op dit moment meestal zachtjes huilend uit te branden in een greppel. Ik noem dit gedeelte 'het wachten op de groetjes'. Zodra de groetjes namelijk zijn gewenst wordt de bankschroef der sociale controle weer losgeschroefd en kunnen er zonder problemen weer boodschappen gedaan worden. Wat er precies gehaald moest worden is, daarentegen, allang al weer vergeten, waardoor de kans bestaat de het jachtgebied van de werkende burger wederom betreden moet worden. Voor je het weet sta je weer een kwartier vast voor een kuipje boter.

zaterdag 14 november 2009

Amon Amarth en Paolo Nutini

Lees voor een volledige leeservaring de korte samenvatting van Nutini:
http://youandthem.blogspot.com/2009/11/paolo-nutini.html

Amon Amarth @ uitverkocht (bijna) Melkweg, November 12, 2009

Onze favoriete band Amon Amarth zegende ons, eenvoudige stervelingen, met een bezoekje aan Nederland. Aangezien de Zweedse goden helaas te metal waren voor het normale volk werden zij in quarantaine gezet in een gebouw aan het Leidse plein. De echte mannen (en Dorien) onder het Nederlandse volk verzamelde zich voor de Melkweg om te protesteren tegen deze godslastering. Onze hymne werd gehoord en allen mochten op audiëntie (nadat zij netjes hun lidmaatschap hadden betaald).

Het licht doofde toen de band opkwam. Een koude wind van pure metal woei stil tussen het nieuwsgierige publiek. Johan Heg wilde ons net inspireren met waarheden zoals:'I rip the axe from the head, covered in blood and brains.'* toen het ondenkelijke gebeurde. Een voet op het podium. Johann stapte opzij voor de vreemdeling die langzaam naar de microfoon schuifelde.

Hij kwam, om het maar meteen zeggen, een beetje vreemd over. Hij ging daar staan met zijn zwarte krullen en keek ons met een verdwaasde blik aan. Toen begon hij te praten. Hij mompelde dat zijn naam Paolo Nutini was en dat hij ons graag mee naar Mexico wilde nemen. Een golf van verontwaardigt gefluister ging door de zaal. 'Of het Wilde Westen dan?' sprak hij aarzelend, terwijl hij nerveus heen en weer wiegde. Het publiek keek vragend naar Amon Amarth die rustig dit schouwspel zaten te bekijken. Johan fluisterde wat tegen Frederik die grijnzend het podium verliet.

Paolo voelde dat hij het publiek langzaam aan het verliezen was. De meegekomen artiesten begonnen, voor de goede sfeer, 'Time To Pretend' van MGMT te spelen. Treurig was het om te zien dat Nutini een verfrommeld uit zijn zak peuterde en de tekst begon voor te lezen. In het publiek werden de eerste fakkels al aangestoken.
Iemand uit het publiek riep 'Guitar Hero!' en de eerste bekertjes werden al gegooid. Na een tijdje reageerde Nutini niet meer op het rondvliegende plastic. De volgende logische stap was dus om alle resterende voorwerpen naar het podium te slingeren. Flessen vodka en kruiken rum spatte rond de klungelende zanger uiteen. Frederik beklom het podium wederom en een simpele grom van Johan zorgde voor acute stilte in een eens zo rumoerige zaal.

Zwijgend gaf Frederik een telefoon aan Paolo. In een soepele beweging ontweek Nutini een goedgemikte barkruk en hield de foon bij zijn oor. Een schaduw wierp zich over zijn gezicht toen hij langzaam doorkreeg wat er aan de hand was. Zijn concert bleek de dag daarna pas in Paradiso te zijn. Paolo wierp zichzelf op de grond terwijl Amon Amarth zijn rechtmatige plaats weer innam. Snikkend sjokte hij naar de uitgang. Johan gromde terwijl hij The Pursuit of Vikings inzette. Paolo stopte bij de deur. Een met tranen gevulde blik gloeide nog een laatste maal naar een feestend publiek. Zijn list was mislukt en de metal had hem wederom verslagen. Zijn pogingen om voor een echt metalpubliek op te treden waren tot nu toe futloos geweest. 'Nouja', verzuchtte hij, 'morgen weer mijn eigen publiek'. Met deze deprimerende gedachte verdween hij in de nacht.

Tycho.

* Valhall awaits me - Amon Amarth

** omdat jullie dit verhaal waarschijnlijk toch niet geloven heb ik een foto genomen.

woensdag 21 oktober 2009

Boek

Lief blogvolk,

En dan nu een fragment uit mijn nieuwe boek:

Raptors en Zombies,
een modern sprookje

Hoofdstuk 9

De hoek was verlaten. Een zucht van verlichting. Het korte moment van rust gaf hem de mogelijkheid om alles te overdenken. 'Zombies' grinnikte hij "van alle horror clichés bieden zombies wel het meeste vermaak". Nog geen uur geleden had hij de andere overlevenden gevonden. Samen hadden ze zichzelf richting de metro gevochten, waarna ze door een onverwachte aanval vanuit een coupé alweer twee hadden verloren. Hun namen waren nog niet bekend geweest aan hem of ze waren al in stukken gereten. 'Zombies' mompelde hij wederom in zichzelf, gevolgd door het iets te lang geaccentueerde 'zombieees'. Achter hem ging Swallow McTetten zitten. Ze pakte zorgvuldig een doekje uit haar handtasje, waarna ze standvastig stukjes darm van haar kettingzaagarm af begon te vegen. Het glimmende staal stond in mooi contrast met haar vastberaden ogen. Ze fluisterde: 'Wie is je vriend daar?' Hij keek op, de leren jas en kisten stonden in schril contrast met de clowntjessjaal die om zijn nek hing. Zijn drie horloges tikten uit de maat in de stille metrotunnel. Hij deed zijn veiligheidsbril en roze cowboyhoed af, waarna hij recht in haar ogen keek. 'Het spijt mij dat ik mij niet heb kunnen introduceren', sprak hij op een voorzichtige toon, 'ik ben Pownzor, tijdreiziger en huurling van beroep'. Hij leek onwennig in zijn hedendaagse kleren. 'Aangenaam' mompelde ze, waarna ze verder ging met haar kettingzaag oppoetsen.

Een gil maakte abrupt een einde aan dit vredige tafereel. De graaiende handen van de geïnfecteerden grepen naar Swallow's benen. Haar gil werd langzaam overstemd door het oorverdovende geluid van kettingzaag op zombieschedel. Terwijl de hersenen in het rond spatte wist hij wat er te doen stond. In zijn ooghoek zag hij Pownzor zijn wapen al gereedmaken. Terwijl Swallow een zombie in een gorgelende menigte roundhouse'de stond hij nog steeds gefixeerd op het wapen te staren. Pownzor had zo'n prachtig stuk technologie, hij voelde zich langzaam warm worden van binnen. Het wapen was onbeschrijvelijk mooi. Alsof alle vette wapens door de eeuwen heen een liefdesbaby hadden gekregen en alleen hun beste eigenschappen doorgegeven hadden. Pownzor legde aan en schoot. Uit de rookwolk die het wapen creëerde sprong een schim die zich genadeloos op de zombies stortte. 'Natuurlijk', fluisterde hij voor zichzelf, 'zo'n geweldig schietijzer kan maar met één ding schieten'. Velociraptors.

Een diep gevoel van ontevredenheid maakte zich hem meester toen hij zijn eigen wapen trok. Het slappe handpistooltje knalde verslagen naast het machtige gebrul van het goddelijke wapen in de handen van zijn compagnon. Hij raakte een zombie in zijn oog waarna deze verblind in de kettingzaag van Swallow liep.........

(lange vechtscene blabla, koop mijn boek maar als het af is)

Toen gebeurde het. Vijf velociraptors sprongen naar elkaar en in een flits was het gebeurd. Daar stond het. Een 15 meter hoge raptor met een harnas van schedels en botten. Op de plek van zijn klauwen en tanden zaten nu lightsabres en terwijl het beest zijn langzaam smakte viel er pure vodka uit zijn mond. Pownzor en Swallow trokken hem op het zadel, dat trouwens de vorm had van een Porsche Boxter. Ze gingen achter de AA-guns zitten die gemonteerd waren aan de Porsche en hij wist dat het moment daar was. Hij trok aan de stijgbeugels en terwijl er spontaan vuurwerk ontplofte achter hun rijsde de velociraptor naar straatniveau. Adelaars vlogen boven hem rond en een korte pose, terwijl er vuurwerk ontplofte op de achtergrond, zorgde ervoor dat elke man op aarde opeens spontaan de neiging kreeg om iemand een high five te geven en 'FUCK YEAH' te roepen. Dit werd ook wereldwijd gedaan. Op de Gaza-strook high five'den Israeliers en Pakistanen met elkaar en in de Congo probeerde de concurrerende groepen dat ook. Dit ging alleen minder omdat ze elkaar te lijf waren gegaan met kapmessen en hier en daar een handje verloren was gegaan. Dit mocht de pret echter niet drukken. De zombies verschrompelde in de aura van awesomeness en de zon begon weer accuut te schijnen. Hij wist dat het voorbij was en hij stuurde het meest edele beest der beesten de horizon tegemoet g. De raptor schreeuwde nog één keer waarna alle fonteinen met bier gevuld werden en er feest gevierd werd over de hele wereld. Voor deze keer leefde iedereen lang en gelukkig.

Einde

woensdag 19 augustus 2009

Woensdag de 19e

Lieve blogmensen

Vandaag begon het allemaal om half 10. De telefoon ging..., ring ring ring.. je kent het wel. Afijn, ik neem dat ding op en wie denk je dat er aan de lijn is? De oxxio!, wanneer ze onze slimme meter kunnen plaatsen. Natuurlijk was ik met stomheid geslagen, ik wist immers niet wanneer wij deze eerlijke arbeiders konden ontvangen. Ik stamelde dat ik het niet wist en voelde meteen een vlaag van onzekerheid over mij heen komen. Zou deze man wel begrijpen waarom ik niet wist wanneer ze langs konden komen? Heb ik hem nu gekwetst? Hoe wordt hij ontvangen door andere gezinnen? Het angstzweet verzamelde zich kort boven mijn oor waarna het zijn weg vond naar beneden. Het stroompje raakte mijn koude wang, een rilling ging door mijn lijf. Deze man had mij binnen dertig secondes in een psychologische hoek gedreven. Het gewicht van de telefoon begon steeds zwaarder op mijn oor te drukken en langzaam zakte ik in elkaar. Ik was verslagen, de enige optie die ik kon bedenken was vragen of ze later terug wilden bellen. Het was alles of niks.

"Kunt u misschien op een a-ander tijdstip terug b-bellen..." sprak ik aarzelend. Ik wachte gespannen af. Dit was mijn laatste uitvlucht, één fout woord en het zou over zijn..

"okay" klonk het kil aan de andere kant van de lijn.

Ik zakte in elkaar. De zon scheen vanuit mijn half geopende gordijnen en verwarmde mijn klamme gezicht. Vijf over half tien. Omroep Max zond nog steeds zijn propagandische leugens uit of ik had mijn eerste nederlaag al geleden. Alles was slechts nog wazig. Niks leek meer belangrijk, nergens was er nog een veilige thuishaven voor mij. Opgesloten in een glazen kooi van emotie at ik flauw een banaan. De momenten dat ik genoot van een banaan leken opeens weken geleden. De televisie staarde mij aan vanuit zijn veilige ikea-kast. Zelfs voorwerpen hadden een plek gevonden in deze wereld.

Een simpel boek trok mij ineens de aandacht. Slechts een simpele aanraking met dit papieren meesterwerkje zorgde ervoor dat mijn humeur langzaam opbeurde. Het openen van het boekje versplinterde de glazen kooi. Ik zag de scherven van emotie om mij heen vliegen als stukken metaal na een aanrijding. De glinstering van melacholie denderde op de grond alsof Isaac Newton er zelf aan trok. De wereld had weer zin. De zon had nog nooit zo geschenen.

De klok sloeg tien uur. Ik besloot te ontbijten.

Woensdag 19 augustus