‘Geloof jij in god?’ vraagt hij, terwijl hij zijn borstelmachine aanzet. Het zachte gezoem van de machine overstemt net de muziek. ‘Hoe kom je opeens op die vraag?’ De vraag beantwoordend met een wedervraag. ‘Je zei dat je vanavond naar de kerk gaat. De kerstmis’ is zijn prompte reactie. Ik kijk op en zeg:’ Naar de kerk gaan maakt je net zo min een christen als naar een garage gaan je een auto maakt.’ Hij knikt, voor een zestienjarige stagiair is hij bijzonder scherp. ‘Maar om je vraag te beantwoorden moet ik eerst weten wat volgens jouw God is. Een kracht? Of een man met een baard misschien?’ Hij twijfelt. Ik vervolg, ‘maar nee, ik geloof niet in God In De Hemel, die bedoelde je toch?’ Er wordt heftig geknikt en ik grijns, natuurlijk bedoelt hij de huis tuin en keuken God. De God uit de media. De God die aangeroepen wordt in vloek en gebed. De God die zichzelf opblaast aan de ene kant van een muur en de God uit wiens naam vergelding wordt gezworen aan de andere. Ja, die God.
‘Waar geloof je dan in?’ Een scherpe opmerking. Niemand gelooft namelijk in niks, als mens heb je wat houvast nodig. Zou hij doorhebben dat hij zo’n prikkelende vraag heeft gesteld? Ik tik met mijn hiel een afgebraamde buis om. Kletterend stort deze op het beton. Mooi. Dit geeft mij wat kostbare seconden om een antwoord te zoeken. ‘Ik geloof in één natuur’ zeg ik aarzelend, ‘ik zie de wereld naar de opvatting van Spinoza.’ Natuurlijk zegt dat hem niks, ik denk rustig na. Ik kan de waarheid versimpelen, maar dat zou waarschijnlijk meer kwaad dan goed doen. De vraag was nou eenmaal gesteld. ‘Naar zijn idee zitten wij allemaal vast aan de natuurwetten, of natuurlijk God, het is maar hoe je het noemt.’ Bij God zonk de moed mij in de schoenen. Had ik net niet gezegd dat ik daar niet in geloof. Een filosofie uitleggen aan iemand die lacht om ‘djoeke met me kniffa’ leek toch te hoog gegrepen. Ondanks mijn misstap wordt ik nog strak aangekeken. Ik vervolg: ‘het komt erop neer dat wij geen vrije wil hebben, ondanks dat wij dat denken.’ Het is duidelijk dat mijn woorden hard aankomen. Voor er tegengesputterd kon worden hield ik mijn kop koffie omhoog. ‘Koffie komt van de?’ vraag ik kinderlijk. ‘Koffieboon’ antwoord hij, niet begrijpend waar ik heen wil. ‘Waarom niet van mandarijnen?’ antwoord ik gelijk terwijl ik het oranje bolletje omhoog gooi. ‘Omdat je van mandarijnen geen koffie kan maken, maar wat heeft dat..’ ‘Precies’ onderbreek ik hem, ‘Dat is dezelfde reden waarom ik niet zomaar weg kan vliegen of deze mandarijn in goud kan laten veranderen. Alles zit vast aan zijn natuur.’ ‘Ja, zo heb er nooit over nagedacht’ bekent de verbaasde stagiair. ‘En wat nou als alles wat wij doen ook onze natuur is?’ Hij kijkt mij vragend aan. Toegegeven, nu spring ik te snel op de conclusies. ‘Baby’s kruipen en drinken wat melk, wanneer ze niet huilen, poepen of kotsen op ongelegen momenten. Heeft de baby vrije wil?’ Hij hapt direct toe. ‘Nee’. Het voorbeeld uit De wereld van Sofie lijkt te werken. ‘En een peuter dan, die wilt spelen en zo veel mogelijk troep in die kleine klauwtjes van ze wilt hebben’ Hij schudt van nee. ‘En jij dan?’ vraag ik daarna. ‘Of ik een vrije wil heb?’ is zijn geschokte antwoord, ‘ik ga uit van wel..’. Hij voelt het al aankomen, dat was het antwoord waar ik op wachtte. ‘Is het feit dat je bereid bent te werken zodat Modern Warfare 2 straks kan kopen niet de natuur van zestienjarige jongens? Deed je elke ochtend gel in je haar om er voor de dames beter uit te zien op je twaalfde? Alles wat je nu doet is ook je natuur. Zelfs verzetten tegen dat idee kan je natuur zijn. Jij volgt je natuur maar je bestuurd jezelf. Dit betekend niet dat je echt een complete vrije wil hebt’ Een stilte. ‘Ik denk dat ik het snap. Wow, ik wordt er helemaal loco van, man.’ Ik lach, ‘dat betekend dat je het wel begrepen hebt. Doe ermee wat je wilt’ Ik neem een slok uit mijn koffie.
‘Heb je dat allemaal uit de bijbel?’ Ik proest terwijl de koude koffie weer terug in mijn kopje wordt gespuugt. ‘Blegh, ow… wat nee’ antwoord ik geschokt. ‘Hoe kom je daar ineens op?’ De bijbelvraag slaat het verhaal, waarvan ik dacht dat hij het snapte, aan diggelen. ‘Nee, dat heb ik dan weer niet uit de bijbel’ antwoord ik. ‘Heb je de bijbel dan gelezen?’, vraagt hij op een toon alsof ik net mijn grootste geheim heb verklapt . Ik vertel dat ik een paar stukken gelezen heb. ‘Heb je hem dan niet uitgelezen?’ flapt er bij hem uit. Voor een paar seconden heb ik het gevoel dat ik hem fout heb verstaan en hij in plaats van bijbel eigenlijk de eerste Harry Potter bedoelde. Ik lach. Hij kijkt mij vragend aan. ‘Rond de vijftig’ is mijn antwoord, ‘de bijbel bestaat uit rond de vijftig verschillende boeken en geschriften’ Ik zet mijn koffie neer en hij rolt wat shag. Waar zullen wij nu eens beginnen.
donderdag 24 december 2009
maandag 14 december 2009
3 maanden deel 1
Drie maanden niks
Het is nu half december. Ik zit midden in mijn drie maanden niks. Veel mensen vragen mij wat ik nu doe, nu ik gestopt ben met mijn studie. Mijn normale antwoord is ‘Chillen’ terwijl ik zo quasi-nonchalant mogelijk probeer te grijnzen. Van het goede leven genietend, tenminste zo wil ik dat het lijkt. Daarop krijg altijd drie vaste reacties. Bekenning, onbegrip of een mes in mijn rug. Alledrie goedbedoeld en alle drie fout.
De Bekenning wordt meestal gedaan door de werkende burger. Deze mensen komt men meestal rond een uur of vijf in een supermarkt tegen. Een dialoog met de werkende burger dwaalt al snel af naar school, werk of groetjes doen. Onvermijdelijk komt het uiteindelijk neer op jouw ‘Negen tot vijf’-loze bestaan. Daarna begint de bekenning. Meestal gekarakteriseerd door een hoge ‘Oooow, wat lékkuuhr, ik wou dat ik dat hád,’. De onvermijdelijke zin daarna gaat meestal over wanneer zij zelf vrij zijn of dat hun zoon of dochter ook zoveel vrij heeft. Het gesprek verandert daarna vrijwel altijd in monoloog over hoe zij mensen hebben gezien. Een klassiek voorbeeld is ‘Ik zag je moeder laatst nog’. Het wordt het liefst gezegd terwijl het winkelwagentje langzaam wordt gemanoeuvreerd zodat er een kleine Berlijnse muur ontstaat in gangpad 9. Laat ik duidelijk zijn. Er is geen antwoord op zo’n opmerking. Zelfs wanneer er daarna (zoals het hoort) verteld wordt waar en wanneer ze voor het laatst gesignaleerd was. ‘Ik kwam haar tegen in de Bruna op, even denken ik had net de kinderen naar muziekles gebracht, dinsdag. Ja dinsdag moet het geweest zijn’.
De restanten van het gesprek liggen op dit moment meestal zachtjes huilend uit te branden in een greppel. Ik noem dit gedeelte 'het wachten op de groetjes'. Zodra de groetjes namelijk zijn gewenst wordt de bankschroef der sociale controle weer losgeschroefd en kunnen er zonder problemen weer boodschappen gedaan worden. Wat er precies gehaald moest worden is, daarentegen, allang al weer vergeten, waardoor de kans bestaat de het jachtgebied van de werkende burger wederom betreden moet worden. Voor je het weet sta je weer een kwartier vast voor een kuipje boter.
Het is nu half december. Ik zit midden in mijn drie maanden niks. Veel mensen vragen mij wat ik nu doe, nu ik gestopt ben met mijn studie. Mijn normale antwoord is ‘Chillen’ terwijl ik zo quasi-nonchalant mogelijk probeer te grijnzen. Van het goede leven genietend, tenminste zo wil ik dat het lijkt. Daarop krijg altijd drie vaste reacties. Bekenning, onbegrip of een mes in mijn rug. Alledrie goedbedoeld en alle drie fout.
De Bekenning wordt meestal gedaan door de werkende burger. Deze mensen komt men meestal rond een uur of vijf in een supermarkt tegen. Een dialoog met de werkende burger dwaalt al snel af naar school, werk of groetjes doen. Onvermijdelijk komt het uiteindelijk neer op jouw ‘Negen tot vijf’-loze bestaan. Daarna begint de bekenning. Meestal gekarakteriseerd door een hoge ‘Oooow, wat lékkuuhr, ik wou dat ik dat hád,’. De onvermijdelijke zin daarna gaat meestal over wanneer zij zelf vrij zijn of dat hun zoon of dochter ook zoveel vrij heeft. Het gesprek verandert daarna vrijwel altijd in monoloog over hoe zij mensen hebben gezien. Een klassiek voorbeeld is ‘Ik zag je moeder laatst nog’. Het wordt het liefst gezegd terwijl het winkelwagentje langzaam wordt gemanoeuvreerd zodat er een kleine Berlijnse muur ontstaat in gangpad 9. Laat ik duidelijk zijn. Er is geen antwoord op zo’n opmerking. Zelfs wanneer er daarna (zoals het hoort) verteld wordt waar en wanneer ze voor het laatst gesignaleerd was. ‘Ik kwam haar tegen in de Bruna op, even denken ik had net de kinderen naar muziekles gebracht, dinsdag. Ja dinsdag moet het geweest zijn’.
De restanten van het gesprek liggen op dit moment meestal zachtjes huilend uit te branden in een greppel. Ik noem dit gedeelte 'het wachten op de groetjes'. Zodra de groetjes namelijk zijn gewenst wordt de bankschroef der sociale controle weer losgeschroefd en kunnen er zonder problemen weer boodschappen gedaan worden. Wat er precies gehaald moest worden is, daarentegen, allang al weer vergeten, waardoor de kans bestaat de het jachtgebied van de werkende burger wederom betreden moet worden. Voor je het weet sta je weer een kwartier vast voor een kuipje boter.
Abonneren op:
Reacties (Atom)